Sla inhoud over

Vragen en antwoorden n.a.v. bijeenkomst 6 april 2005

Projectnummer:   7261.74

Datum:                7 april 2005

 

 

V:  De gegevens voor de metingen moeten voor half juni worden aangeleverd. Sommige gegevens zijn pas later beschikbaar, bijvoorbeeld de gegevens van onderwijsinstellingen. Hoe moet daar door de steden mee worden omgegaan?

 

A:  Als gegevens op de meetmomenten niet beschikbaar zijn wordt in principe teruggegrepen op de meest recente gegevens die wél voorhanden zijn. Dat zal over het algemeen betekenen dat gegevens van een jaar eerder worden gebruikt. Daarbij is het wel van belang dat er in het vervolg van het monitortraject rekening mee wordt gehouden dat een afwijkende periode wordt gehanteerd.

 

V:  Is de tijd die de steden hebben voor de dataverzameling niet erg kort?

 

A:  Voor de nulmeting is de tijd niet te kort omdat de meeste gegevens die van belang zijn voor de nulmeting al zijn verzameld voor het opstellen van de prestatielijsten. Bij de vervolgmetingen doen de steden er verstandig aan niet de toezending van de factsheet met de ingevulde basisindicatoren af te wachten, maar te beginnen zodra de gegevens beschikbaar zijn. In de bijlage van het draaiboek staat een overzicht van de benodigde gegevens.

 

V:  Niet bij elke indicator in het draaiboek is een exacte definitie opgenomen van alle gevraagde gegevenselementen. Waarom is dit nagelaten?

 

A:  Bij de basisindicatoren is een omschrijving van de exacte definitie niet altijd nodig omdat de basisindicatoren (grotendeels) uit centrale bronnen worden betrokken. Bij maatwerkindicatoren kunnen kleine verschillen bestaan in de door de steden gehanteerde definities. Dit is inherent aan het gebruik van maatwerkindicatoren. Het Rijk dringt er op aan dat de steden bij de maatwerkindicatoren de gehanteerde definitie aangeven.

 

V:  In de draaiboeken is een overzicht opgenomen van de door de steden opgegeven stadsspecifieke indicatoren. Waarom is geen overzicht opgenomen van de maatwerkindicatoren waar de verschillende steden op hebben ingezet? Dit zou het makkelijker maken contact op te nemen met collega-steden om ruggespraak te houden.

 

A:  Er is niet voor gekozen zit overzicht op te nemen in de draaiboeken. Het is te laat dit alsnog te doen. BZK zal nagaan of het gevraagde overzicht bestaat en dit, als dit het geval is, ter beschikking stellen van de steden.

 

V:  Hoewel de prestatieafspraken soms zijn gemaakt op basis van gegevens met een peildatum die eerder is dan de peildatum van de nulmeting (1 januari 2005), zou het Ministerie van Economische Zaken graag zien dat alsnog gegevens met peildatum 1-1-2005 worden verzameld.

 

A:  De gegevens die in de prestatielijst zijn opgenomen zijn leading, tenzij met de steden procesafspraken zijn gemaakt om nieuwe gegevens aan te leveren.

 

V:  De huidige monitor richt zich minder op benchmarking, maar meer op monitoring van het eigen proces en de voortgang van de eigen ambities van de steden. Bij GSB-II werd juist meer ingezet op benchmarking. Hoe denkt men de vergelijking in de tijd te gaan maken?

 

A:  De monitor GSB-III richt zich meer op output en minder op outcome. Benchmarking is nog mogelijk  bij de outcome indicatoren en bij de basisindicatoren. Bij de maatwerkindicatoren en stadsspecifieke indicatoren is benchmarking niet goed mogelijk. Wel kunnen de eigen vorderingen ten opzichte van de geformuleerde ambitie worden vergeleken met de vorderingen van andere steden. Het jaarboek oude stijl zal worden vervangen door de monitor GSB-III. Bij de midtermreview zullen extra gegevens worden gebruikt om uitkomsten in context te plaatsen. Dit zal gebeuren op basis van centrale bronnen, zodat de steden niet extra worden belast.

 

     Er wordt door de steden aangegeven dat er hier en daar initiatieven worden ontplooid voor nieuwe monitoren, vooral op het sociale vlak. BZK vraagt de steden hen hiervan op de hoogte te houden.

 

V:  In het kader van de eigen bedrijfsvoering van de steden en de eis van BZK dat de steden sturen op de afgesproken prestaties is het wenselijk dat de gemeenten jaarlijks  inzicht hebben in de basisindicatoren. Kan BZK er niet voor zorgen dat deze informatie jaarlijks, in plaats van alleen tijdens de midtermreview en bij de eindmeting, wordt aangeleverd?

 

A:  Niet alle centrale bronnen worden jaarlijks geactualiseerd. Voor een aantal is dat wel het geval. Die zouden in principe jaarlijks kunnen worden verzameld en aan de steden worden aangeleverd. BZK gaat na of aan deze wens kan worden voldaan.

 

     ECORYS merkt op dat er naast de gegevensvraag ten behoeve van de nulmeting van de monitor GSB III, gelijktijdig nog een uitvraag zal plaatsvinden van ontbrekende gegevens voor het jaarboek GSB II. Het betreft de gebruikelijke statistische informatie.

 

V:  De nulmeting is in feite al gehouden. Waarom zouden steden nu nog een L&V enquête houden ten behoeve van de nulmeting?

 

A:  De L&V enquête heeft normaal gesproken een cyclus van twee jaar. Als er begin 2005 volgens de reguliere cyclus een meting wordt verricht wordt de stad gevraagd die gegevens voor de nulmeting te gebruiken. Is dat niet het geval dan gelden de meest actuele gegevens. Het staat steden uiteraard vrij alsnog een L&V meting uit te voeren als daar voor de interne beleidsvoering behoefte aan bestaat.

 

V: Moeten de gemeenten nu een andere vragenlijst gebruiken voor de L&V enquête?

 

A: BZK werkt aan een nieuwe vragenlijst in het kader van het project stroomlijning veiligheidsmonitors. Deze moet gereed zijn voor de mid-term meting. Tot die tijd kunnen gemeenten de bestaande L&V enquête gebruiken. Zoals in het draaiboek staat moeten de gegevens wel op wijk en gemeenteniveau beschikbaar zijn.
 


Navigatie