Stelsel GSB III
Meerjaren Ontwikkelingsplannen
De dertig grote steden schrijven een kernachtig Meerjaren Ontwikkelingsprogramma. In dat programma onderbouwen de steden de beoogde resultaten. De steden formuleren binnen het afgesproken rijkskader hun eigen aanpak.
Steden kunnen eigen doelstellingen toevoegen aan hun Meerjaren Ontwikkelingsprogramma. Bovendien bepalen zij zelf het ambitieniveau voor de doelstellingen. Op enkele punten kan dat betekenen dat steden een lage ambitie of zelfs geen ambitie formuleren, als de lokale situatie daar aanleiding toe geeft. Daarmee geeft het Rijk meer ruimte voor een eigen stedelijke benadering.
De steden dienen hun Meerjaren ontwikkelingsprogramma’s op 1 juli in bij het Rijk. Na een onderhandelingsperiode worden de plannen door het Rijk, en tot slot, door de Gemeenteraad goedgekeurd. Hierna worden de afspraken vastgelegd in convenanten. In januari 2005 ondertekenen de stad en het Rijk deze convenanten.
Meetbare resultaten
De nieuwe afspraken tussen Rijk en steden zijn meetbaar. De steden formuleren meetbare resultaten op 30 zogeheten outputdoelstellingen. Geen algemene afspraken meer over het verbeteren van de veiligheid - bijvoorbeeld -, maar wel concrete, afrekenbare afspraken over het aantal meldingen van huiselijk geweld in een stad.
Brede doeluitkeringen
Het Rijk zal de dertig steden voor vijf jaar in totaal € 3,7 miljard beschikbaar stellen via drie brede doeluitkeringen. Die drie brede doeluitkeringen (BDU’s) vervangen de tientallen regelingen uit de huidige convenantsperiode (GSB II). De administratieve lasten voor de steden worden hierdoor aanzienlijk beperkt.
De steden kunnen de financiële middelen naar eigen inzicht inzetten voor het behalen van de resultaten die gekoppeld zijn aan de betreffende BDU.
Monitoring
Het Rijk volgt de stedelijke uitvoering van het beleid tijdens GSB III op een terughoudende wijze. In 2007 wordt eenmalig een tussentijdse stand van zaken opgemaakt die zo nodig kan leiden tot aanpassing van het maatwerkconvenant. Na het einde van de convenantsperiode (2005-2009) legt de stad éénmalig verantwoording af.
Verantwoordelijkheid bij het Rijk
Het kabinet is in zijn geheel verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een samenhangend, gecoördineerd, ontkokerd en resultaatgericht beleid voor de grote steden. De minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is coördinerend verantwoordelijk voor het grotestedenbeleid. De vakministers zijn verantwoordelijk voor het eigen onderdeel van het grotestedenbeleid en voor de afstemming en samenhang tussen de beleidsonderdelen.
De drie Brede Doeluitkeringen Fysiek, Economie en Sociaal, Integratie en Veiligheid worden administratief beheerd door respectievelijk de minister van VROM, de staatssecretaris van EZ en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.