Sla inhoud over

Verantwoording over de Mop's

Proces en moment van aanlevering

De steden verantwoorden zich over de periode 1999 tot en met 2004. De verantwoording over de MOP’s moet op 15 juli 2005 worden aangeleverd bij het ministerie van BZK. De coördinerend minister voor GSB is primair verantwoordelijk voor de verantwoording over de MOP’s.

Verantwoording MOP’s via factsheet

Die aspecten waarover geen doelbereiking wordt gevraagd bij de verantwoording over de bestedingen krijgen een plek in de eindverantwoording over de MOP’s. Dat leidt tot het volgende overzicht:


Pijler

Periode 1999-2004
Beleidsmatige verantwoording Fysiek Beleidsmatige verantwoording Werk en Economie Beleidsmatige verantwoording pijler Sociaal
Proces afspraken MOP verantwoording MOP verantwoording MOP verantwoording
Outcomedoelstellingen MOP verantwoording MOP verantwoording MOP verantwoording
Outcomeindicatoren Deels MOP/Deels verantwoording over de bestedingen

Werk deel: MOP verantwoording

EZ deel: deels MOP/deels verantwoording over de bestedingen
MOP verantwoording
Stedelijke prestaties Verantwoording over de bestedingen

Werk deel: MOP verantwoording

EZ deel: verantwoording voer de bestedingen
MOP verantwoording

























Teneinde de verantwoording over de MOP’s te structureren is een factsheet opgesteld waarin die aspecten zijn vermeld waarover de steden zich op MOP niveau moeten verantwoorden. De outcomedoelstellingen en -indicatoren zoals vermeld in de factsheet zijn ontleend aan het door rijk en de steden vastgestelde GSB-toetsingskader (zie brief 16 juli 1999; GSB99/U77775 aan colleges van B en W van de Steden) en de outcomedoelstellingen zoals opgenomen in de regeling Sociale Integratie en Veiligheid. Het overgrote deel van de outcomedoelstellingen was in de brief van 16 juli 1999 voorzien van kwantitatief meetbare indicatoren. De procesafspraken zijn overeen gekomen bij de convenantssluiting. De afspraken over het verlengingsjaar zijn overeengekomen met de bekrachtigingbrieven per stad van zomer 2003.

De G5 steden kennen een beperktere factsheet en daarmee een beperkte verantwoording over de MOP, omdat destijds maar op 2 outcomedoelstellingen afspraken zijn gemaakt (zie brief 29 november; GSB99/U96029). Bovendien zijn de afspraken met de G5 een jaar later ingaan en zullen zij zich moeten verantwoorden over de periode 2000-2004. Ook zijn de doelstellingen in de regeling leefbaarheid partiële GSB-steden anders dan de doelstellingen voor de G25 in de regeling Sociale integratie en veiligheid. Waar relevant zal het verschil tussen de G25 en de G5 worden aangegeven.

Zoals opgemerkt is per stad is er een factsheet opgesteld voorzien van de eigen gegevens uit de MOP’s, zelfanalyse en visitatie en briefwisselingen. Deze factsheets worden per stad afgestemd. De gerealiseerde waarde per kwantitatieve indicator zal het ministerie van BZK begin 2005 beschikbaar stellen, opdat steden en rijk uitgaan van dezelfde gerealiseerde waarden, bronnen en meetmomenten. In geval steden zelf beschikken over recentere data, bij dezelfde bron kunnen ook die data gebruikt worden.


Verantwoording MOP’s

Uitzondering geldt voor die outcome-indicatoren waar al wel een verantwoording over plaatsvindt via de verantwoording over de bestedingen.

Doelbereiking op de outcomedoelstellingen uit toetsingskader
De outcomedoelstellingen in de factsheet zijn gebaseerd op het toetsingskader en de doelstellingen zoals opgenomen in de regeling sociale integratie en veiligheid. Aan de steden wordt gevraagd in de factsheet onder het kopje toelichting op hoofdlijnen inzicht te geven in de stappen die de steden de afgelopen jaren hebben gezet om de outcomedoelstellingen te realiseren.

Doelbereiking regelingen sociale integratie en veiligheid G25/leefbaarheid partiele GSB-steden
Aan de steden wordt gevraagd in de factsheet onder het kopje toelichting op hoofdlijnen inzicht te geven in de stappen die de steden de afgelopen jaren hebben gezet om de outcomedoelstellingen te realiseren. Aan de factsheet voor de G25 zijn drie doelstellingen uit de SIV toegevoegd. Aan de factsheet voor de G5 zijn 3 doelstellingen uit de regeling leefbaarheid partiële steden toegevoegd.
Dit betreft voor de G5 de doelstellingen gekoppeld aan het verlengingsjaar en op het terrein van leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving en betrokkenheid van burgers en bedrijfsleven. Voor de G25 gaat het hierbij om de doelstellingen gekoppeld aan het verlengingsjaar en op het terrein van oudkomers en betrokkenheid van burgers en bedrijfsleven. Daarbij geldt voor de doelstelling oudkomers dat de G25 zich in het kader van het GSB moeten verantwoorden over de doelbereiking tot en met 2003. Voor 2004 zijn er nieuwe afspraken gemaakt, gekoppeld aan een nieuwe regeling Inburgering oudkomers 54 gemeenten, onder verantwoordelijkheid van Justitie. Voor de doelstellingen betrokkenheid van burgers en bedrijfsleven geldt dat de G30 vooral de resultaten op het terrein van Onze buurt aan zet (en de eerder vastgestelde ambities daarbij) kunnen betrekken bij de kwalitatieve toelichting die hoort bij deze doelstelling.

Doelbereiking kwantitatieve outcome-indicatoren
Het overgrote deel van de outcomedoelstellingen was in de brief van 16 juli 1999 al voorzien
van meetbare indicatoren met een kwantitatieve bronvermelding. Tevens waren enkele outcome-doelstellingen aanvullend voorzien van enkele kwalitatieve outcome-indicatoren. Op enkele outcomedoelstellingen is het wegens het ontbreken van informatiebronnen uiteindelijk niet gelukt een goed meetbare indicator te ontwikkelen dan wel is de in het toetsingskader opgenomen indicator komen te vervallen en vervangen door een andere indicator. De indicator: aandeel op de bevolking (van 16 tot 25 jaar) dat maximaal over een vbo/mavo-diploma beschikt (uitsluitend stadsniveau)  wordt niet meer gemeten voor GSB en is derhalve verwijderd uit het overzicht. De steden worden om die reden met voorliggende factsheet niet bevraagd over hun doelbereiking op deze indicator. De indicator: maat gebaseerd op een (nog te ontwikkelen) vragenblok over aanvullend voorzieningengebruik is eveneens verwijderd uit het overzicht. Deze indicator bleek slecht meetbaar. Het totale aantal kwantitatieve indicatoren in de factsheet komt daarmee op 14 in plaats van de oorspronkelijke 16 in het GSB-toetsingskader uit 1999. Aanvullend zijn er vier kwalitatieve outcome-indicatoren. Deze zijn in de factsheet cursief gedrukt.

Voor de partiële steden geldt dat, met uitzondering van Amersfoort, er geen nul- en streefwaarden voorhanden zijn op de kwantitatieve outcome-indicatoren behorende bij de outcomedoelstellingen 5 en 7, waarmee de factsheet voor de G5 (met uitzondering van Amersfoort) slechts een kader vormt aan de hand waarvan de steden hun kwalitatieve verantwoording kunnen inrichten.

Eén en ander betekent dat de G25 zich op de volgende manier moeten verantwoorden op het niveau van outcome-indicatoren:

Outcome-indicator 1,2 en 3:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;
- in de toelichting bij de outcome-indicatoren in gaan op stedelijke prestaties en inspanningen die hebben bijgedragen aan de realisatie van de outcome-indicatoren en outcome-doelstellingen.

Outcome-indicator 4, 5, 6 en 7:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron)

Outcome-indicator 8 en 9:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;
- in de toelichting bij de outcome-indicatoren aan de hand van herkenbare thema’s (jeugd, opvang, onderwijs en socaile veiligheid) in gaan op stedelijke prestaties en inspanningen die hebben bijgedragen aan de realisatie van de outcome-indicatoren en outcome-doelstellingen.
- in de toelichting bij 9 betrekt de stad ook de resultaten en inspanningen gekoppeld aan de regeling SIV. Specifiek gaat het dan om de resultaten op de volgende doelstellingen:
A. Het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving.
Hierbij staan de vergroting van objectieve en subjectieve veiligheid als prioriteiten voorop.

Outcome-indicator 10, 11, 12 en 13:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;
- in de toelichting bij de 10, 11, 12, 13 betrekt de stad de resultaten en inspanningen gekoppeld aan de regeling SIV. Specifiek gaat het dan om de resultaten op de volgende doelstellingen:
B. Het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving.
Hierbij staan de vergroting van objectieve en subjectieve veiligheid als prioriteiten voorop.
C. Het verminderen en tegengaan van jeugdcriminaliteit door middelen van een integrale aanpak, van preventie tot en met repressie, waarbij aandacht wordt gegeven aan het tot stand brengen van de aansluiting tussen organisaties en voorzieningen t.b.v een doorgaande ontwikkelingslijn voor jongeren tot en met 24 jaar.
D. Het verminderen en tegengaan van voortijdig schoolverlaters.

Outcome-indicator 14:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;
- in de toelichting bij de outcome-indicatoren in gaan op stedelijke prestaties en inspanningen die hebben bijgedragen aan de realisatie van de outcome-indicatoren en doelstellingen.

Voor de partiële steden (G5) geldt dat zij zich verantwoorden over de outcome-indicatoren die horen bij de doelstellingen 5 en 7.
Outcome-indicator 1 en 2:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron)
Outcome-indicator 3 en 4:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;
- in de toelichting bij de outcome-indicatoren aan de hand van herkenbare thema’s (jeugd, opvang, onderwijs en socaile veiligheid) in gaan op stedelijke prestaties en inspanningen die hebben bijgedragen aan de realisatie van de outcome-indicatoren en outcome-doelstellingen.
- in de toelichting bij 4 betrekt de stad ook de resultaten en inspanningen gekoppeld aan de regeling leefbaarheid partiële GSB-steden. Specifiek gaat het dan om de resultaten op de volgende doelstelling:
A. Het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving.

Doelbereiking kwalitatieve outcome-indicatoren
Aanvullend zijn er vier kwalitatieve outcome-indicatoren waarvan er één ook voor de partiële steden relevant is. Deze zijn in de factsheet cursief gedrukt. De steden zullen zich op de volgende manier hierover moeten verantwoorden:
- inzicht geven bereikte resultaten
- in de toelichting bij de outcome-indicatoren aan de hand van herkenbare thema’s in te gaan op stedelijke outputprestaties en inspanningen die hebben bijgedragen aan de realisatie van de outcome-indicatoren en outcome-doelstellingen.
- De G25 stad betrekt bij de kwalitatieve toelichting op de outcome-indicator ‘Beleid t.a.v. kwetsbare groepen’ de resultaten en inspanningen behorende bij de doelstelling ‘Het bevorderen van een sluitende structuur voor 24-uursopvang van kwetsbare groepen’ uit de SIV.

Doelbereiking procesdoelstellingen
In de convenanten is door middel van procesdoelstellingen bepaald welke inspanningen een stad in ieder geval moet plegen om (de voortgang op) de doelstellingen te realiseren. Aan de steden wordt gevraagd zich te verantwoorden over de doelbereiking op de procesdoelstellingen zoals opgenomen in het convenant en zoals opgenomen in de MOP’s. Aandachtspunten daarbij zijn in hoeverre zijn de procesdoelstellingen gehaald en of deze hebben bijgedragen aan de voortgang op de outcome-doelstellingen. Van de steden wordt verwacht dat zij de deze informatie aanvullend op de factsheet aanleveren bij BZK.

Doelbereiking op het verlengingsjaar 2004
In de stadsconvenanten 1999-2003 zijn de afspraken tussen Rijk en stad over de uitvoering van de meerjarige ontwikkelingsprogramma’s vastgelegd. Zoals bekend is de convenantsperiode 1999-2003 verlengd met één jaar t/m 2004. Met de steden is afgesproken de outcomedoelstellingen en - indicatoren zoals vastgelegd in de stadsconvenanten met een jaar naar evenredigheid aan te passen. Dit houdt in dat de beoogde waarde op de outcome-indicatoren voor de jaren 1999 t/m 2003 met één jaar, ofwel 20%, worden verhoogd. De 20% verhoging geldt voor een tweetal indicatoren te weten:
- Indicator kengetal sociale kwaliteit van de woonomgeving
- Indicator gemiddelde waarde van onroerende goederen in het kader van de Wet Onroerende Zaakbelasting. De waarden voor 2004 moeten worden meegenomen bij de invulling van de factsheets. De beoogde waarde t/m 2003 kan worden aangepast op basis van extrapolatie en in de factsheets worden opgenomen. Het verlengingsjaar wordt meegenomen in de verantwoording over alle de outcomedoelstellingen.

Voor de kwalitatieve indicatoren geldt niet de 20% verhoging. Waar mogelijk neemt de stad bij de kwalitatieve beschrijving van het resultaat de activiteiten/inspanningen in 2004 die hebben bijgedragen aan de doelstelling mee in de verantwoording.

Voor de aanvullende outputafspraken op het terrein van veiligheid en jeugd is een separate factsheet ontwikkeld analoog aan de factsheet voor het MOP. Daarin zijn ook de procesafspraken voor het verlengingsjaar meegenomen. Ook zijn daar voor de G25 en de G5 de doelstellingen uit de regelingen SIV/leefbaarheid partiële GSB steden aan toegevoegd die bij de overige doelstellingen geen plek konden krijgen. Van de steden wordt gevraagd:
- inzicht geven in gerealiseerde waarde (met behulp van laatst beschikbare bron); 
- onder het kopje toelichting in te gaan op het verschil tussen beoogde en gerealiseerde waarde voorzien van een argumentatie waarom de beoogde waarde wel/niet gehaald is;

Toelichting bij het invullen van de factsheets

In de toelcihting bij het invullen van de facstheets die u onder de verwijzingen kunt downploaden is per indicator als handvat voor invulling van de factsheet G25 het volgende uitgewerkt:

- de soort indicator kwantitatief of kwalitatief;
- de definities van de indicator zoals die destijds zijn vastgelegd;
- de bron van de indicator.

Het schema gaat niet in op de regelingen SIV en leefbaarheid partiële steden en de aanvullende afspraken 2004.

Vaststelling van de verantwoording over de MOP’s

De verantwoording over het MOP zal geen antwoord geven op vragen over de doeltreffendheid van het beleid. De doelstellingen van het MOP zijn op outcome-niveau geformuleerd. Factoren die niet door een stad zelf zijn te beïnvloeden hebben ook hun invloed op deze outcomedoelstellingen. Daardoor kan voor de tweede convenantsperiode moeilijk worden vastgesteld in hoeverre de effecten door het beleid van de stad zijn gerealiseerd. Voor de derde convenantperiode zal dit beter mogelijk zijn omdat er dan over de volle breedte van de maatschappelijke doelstellingen, concrete resultaten voor de belangrijke stedelijke vraagstukken worden geformuleerd. Ten behoeve van enig inzicht op de doeltreffendheid, wordt middels het traject van beleidsleren over de tweede convenantsperiode een start gemaakt. Dit wordt verder uitgewerkt in het kader van het Jaarboek/Monitor GSB II.

De coördinerend minister voor GSB is primair verantwoordelijk voor de vaststelling van de verantwoording over de MOP’s. De coördinerend minister voor GSB zal zorgdragen voor verspreiding van de verantwoording onder betreffende GSB departementen. In samenwerking met de pijlerdepartementen (EZ, VWS, VROM) beoordeelt BZK de verantwoordingen over de MOP’s. 


De volgende criteria zullen worden benut bij de toetsing en beoordeling van de stedelijke eindverantwoordingen over de MOP’s:
- volledigheid van de verantwoording (conform factsheet eindverantwoording MOP);
- kwaliteit van de toelichtingen op de doelbereiking op de negen outcomedoelstellingen, de kwalitatieve en kwantitatieve outcome-indicatoren, de procesafspraken over periode 1999-2004.

De waardering op de genoemde toetsingscriteria kan aanleiding zijn voor een ambtelijke reactie, een bestuurlijk gesprek en/of beleidsmatige consequenties.

Ambtelijke reactie
Indien blijkt dat er gegevens ontbreken of niet volledig zijn opgenomen in de eindverantwoording over de periode GSB II, wordt een brief opgesteld met daarin de termijn vermeld waarna de aanvullende stukken moeten worden aangeleverd.

Bestuurlijk gesprek
Naar aanleiding van de verantwoording GSB II zal met elke stad een bestuurlijk gesprek worden gevoerd. Primair wordt de verantwoording over de MOP’s besproken, aangevuld met resultaten voortkomend uit de verantwoording over de bestedingen. Ook kunnen de resultaten van de zelfanalyse visitatie trajecten, de resultaten van het expertteam en een eerste stand van zaken van de dan lopende maatwerkconvenanten besproken worden. Het gesprek wordt gevoerd tussen stadsbestuurders en de coördinerend minister voor GSB, eventueel aangevuld met betrokken bewindspersonen. Tijdens het bestuurlijk gesprek kunnen vervolgafspraken, een stappenplan, een planning, etc. besproken worden. Ook worden eventuele beleidsmatige consequenties van de verantwoording over de MOP’s besproken.

Beleidsmatige consequenties eindverantwoording MOP’s
Eind 2004 worden nieuwe convenanten afgesloten voor de periode 2005-2009. De beleidsmatige consequenties van de eindverantwoording worden in combinatie met de uitkomsten van de midterm review in 2007 betrokken op de nieuwe maatwerkconvenanten.
Als het beeld over de mate van realisatie op de prestaties dat uit de eindverantwoording over de GSB II periode komt, bevestigd wordt in de mid term review kan dat in 2007 leiden tot:
1. de convenanten te herijken op de afspraken/ambities op de outputdoelstellingen en outputindicatoren en de inspanningsverplichtingen van steden en rijk;  en/of
2. een stad meer te begeleiden; 

Vaststelling van de verantwoording GSB II
Als de verantwoording over de MOP’s voldoet aan de gestelde criteria of er is een akkoord bereikt na het bestuurlijk gesprek kan vaststelling van de verantwoording plaatsvinden. Dit gebeurt per brief aan iedere stad. Gestreefd wordt na een afronding in het najaar van 2005.


Navigatie